Het project Waarde van Werk is in 2016 gestart en bestaat uit de volgende onderdelen:

De basis: een verkenning van theorie en bestaand onderzoek

Het eerste deel van het onderzoek (Waarde van Werk I, 2016-2017) behelsde een inventarisatie van de reeds beschikbare kennis ten aanzien van de waarde van werk. Het omvatte enerzijds een overzicht van het denken en de theorieën over (de waarde van) werk in vijf verschillende wetenschappelijke disciplines (economie, sociologie, psychologie, antropologie en filosofie). Daarnaast werd een overzicht gemaakt van internationaal empirisch onderzoek naar de waarde van werk, een inventarisatie en clustering van de instituties rond werk en inkomen in een groot aantal EU- en OECD-lidstaten, een meer diepgravend kwalitatief onderzoek van instituties in zes landen en een analyse van de samenhang tussen de waarde van werk en de instituties rond werk en inkomen in de onderzochte landen. De (formele) instituties omvatten wettelijke regels met betrekking tot verschillende soorten arbeidsrelaties, (collectieve) regeling van arbeidsvoorwaarden (minimumloon, arbeidstijden, cao’s), sociale zekerheid en de combinatie arbeid en zorg. Dit onderzoek leverde een overzicht op van de beschikbare empirische wetenschappelijke inzichten in de waarde van werk, de variatie in instituties en de samenhang daartussen.

Eigen onderzoek en de start van de Waarde van Werk Monitor

De uitkomsten uit fase 1 vormden de aanleiding om in deel twee van het onderzoek (Waarde van Werk II, 2018-2020) verschillende vormen van verdieping te zoeken. In de eerste plaats werden bestaande (inter)nationale databestanden nader geanalyseerd . Daarnaast werd een eigen empirische onderzoek naar de waarde van werk in Nederland opgestart: de Waarde van Werk Monitor. Hiertoe werd in het voorjaar van 2019 een grootschalige enquête gehouden onder 3.490 werkende en niet-werkende personen van 18-70 jaar. Tenslotte werden met 32 respondenten van deze enquête diepte-interviews gehouden om ons inzicht in de overwegingen en motieven van werkenden en niet-werkenden te verdiepen.

De derde fase van het Waarde van Werk-project, lopend van 2021-2022, viel grotendeels samen met de coronapandemie. Dat bood een unieke gelegenheid om in het voorjaar van 2021, toen er nog veel beperkende maatregelen golden en de meeste mensen frequent thuis werkten, de gevolgen van deze crisis voor de waarde en waardering van werk in beeld te brengen. In het voorjaar van 2021 werd de tweede Waarde van Werk Monitor (WWM’21) gehouden onder 4.008 Nederlanders. Zowel door rechtstreeks naar de gevolgen van de coronacrisis te vragen als door een vergelijking te maken met WWM’19 konden we vaststellen wat de impact van de coronacrisis was.

In de vierde fase van het Waarde van Werk-project, lopend van 2023- 2024, werd de tweejaarlijkse monitoring van de waarde en waardering van werk in Nederland met de Waarde van Werk Monitor 2023 (WWM’23) voortgezet. Hiertoe werd in het voorjaar van 2023 een grootschalige enquête gehouden onder 5.320 werkende en niet-werkende personen van 18-70 jaar. Daarmee werd een solide basis gelegd om de trendmatige ontwikkeling ten aanzien van waardevol en duurzaam werk en de factoren die daarop van invloed zijn in kaart te brengen. Daarnaast heeft deze fase als doel om meer inzicht te krijgen in de voorwaarden waaronder werkenden duurzaam en waardevol werk kunnen verrichten en kunnen bijdragen aan de overgang naar een duurzame economie.